Info
IN PERMANENTIE
Komende tentoonstelling "PORTRAIT VIVANTE" : 11 november tot 30 december 2011
inleiding door Piet Goethals(Fotograaf-resencent Focus-Knack) » 11 november 20 u.
PHILIP HENDERICKX
Portrait Vivant
Het beeldend werk van Philip Henderickx presenteert zich als een zoektocht naar het punt waarop een bepaalde realiteit in haar tegendeel omslaat en er zich een andere, mogelijke werkelijkheid aandient. Het punt dus waarop de ene voor de andere realiteit wordt verruild, waarbij die laatste ons enigszins vraagwekkend en verontrustend toeschijnt. Dat het om een zoektocht gaat, is af te leiden uit de verschillende operaties die Henderickx op het herkenbare uitvoert. Er wordt geen precieze methode bij herhaling toegepast, veeleer wordt er op een weergegeven realiteit ingegrepen door juxtapositie, toevoeging, weglating, serialisering, en uitvergroting, waardoor een schijnbaar vanzelfsprekende realiteit minder aannemelijk wordt. De kijker wordt hierbij een gegeven realiteit ontnomen en krijgt er een levensechte droom voor in de plaats.
Ondanks de diversiteit aan ingrepen op verschillende onderwerpen, keren ogen in veel werken terug. Ogen waarvan men zich kan afvragen of ze iets zien, en zo ja, wat er dan, al dan niet buiten het kader, te zien valt. Soms starende ogen die met nadruk iets lijken te willen; soms sprekende ogen waarvan de boodschap niet alleen geluidloos maar ook betekenisloos blijft. Het menselijk portret functioneert hierbij als een spiegel waarbij men het weerkaatste beeld mooi, interessant, of herkenbaar kan vinden, maar tegelijk niet omheen dat opake punt van de blik kan. Dit laatste suggereert in zijn afgescheiden zijn van – niet alleen van de toeschouwer, maar ook van het lichaam waarvan die ogen deel uitmaken – isolement en vervreemding. Hier opent zich een ruimte waarin de toeschouwer zijn angsten en verlangens op de grens van verzinnebeelding ziet.
In de obstructed portraits is de blik er geen van verstandhouding en betekent die evenmin een uitnodiging tot comfortabele spiegeling. De portretten weigeren zich te tonen. Ogen kijken vanuit en voorbij een masker naar een punt dat alleen voor scheelogigen voorstelbaar is, worden verhuld door een oogbolgrote bel, of schijnen ijskoud geloken in zichzelf gekeerd te zijn. Dit obstakel dat wederkerigheid verhindert, opent op de noodzakelijke illusie waarmee langs een vergeten omweg een mens wordt gezien.
Dat het om de fantasie van de toeschouwer gaat, wordt op een nog meer concrete manier duidelijk gemaakt door de sculpture vivante AAIH. Het hert beantwoordt aan een behoefte tot contact en communicatie, maar in de mate dat het hert daaraan zal beantwoorden, zullen er ook meteen voorbij die behoefte vragen oprijzen: wat wil het hert van mij? wat denkt het? denkt het wel? wat verlang ik als ik me tot iemand richt en hoe is het mogelijk dat een zeer menselijke nood ook door een levenloze constructie van pluche en bedrading kan worden gelenigd? en wanneer niemand luistert, welke woorden vertrouw ik haar toe? *
Waar Henderickx eerder een verdraaide weergave van de werkelijkheid presenteerde, wordt nu in diezelfde werkelijkheid op directe manier ingegrepen; waardoor enkele onderzoeksvragen nadrukkelijker worden gesteld. Waar ligt de grens tussen het vertrouwde, herkenbare en werkelijke, en het tegendeel daarvan? Door welke strategie wordt die grens bepaald en gehandhaafd? En wat als de onwerkelijkheid van een artificieel hert meer werkelijkheid oplevert dan ons lief is?
Een hert is weliswaar geen huisdier en de mens minder nabij dan kat en hond, maar eveneens bevolkt het een vergeten, kinderlijke sprookjeswereld. In die zin is het hert ons weinig vertrouwd en tegelijk heel nabij, want appelerend aan een emotionele laag waar de dieren spreken, van ongetemde goedheid getuigen, en ons bijstaan zoals alleen een nobel hert dat kan.
• het hert zal consultaties houden op 19 nov + 26 nov + 17 dec + 23 dec + 29 dec 2011 van 15 tot 18 u
• Dominiek Hoens
Dominiek Hoens doceert kunstfilosofie aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Gent, hij is tevens adviserend onderzoeker aan de Jan van Eyck Academie en mede-oprichter en redacteur van S - het tijdschrift van de Jan van Eyck cirkel voor Lacaniaanse ideologiekritiek.
Philip Henderickx
De kunstenaar, een gebruiksaanwijzing
Philip Henderickx is geen kunstenaar.
Althans, hij houdt ervan te zeggen dat hij geen kunstenaar is. Maar misschien is het beter hem niet op zijn woord te geloven. Een dergelijke uitspraak doen wanneer men elke dag schildert is immers een beetje vreemd. Het is het soort vreemdheid van een Magritte die een pijp schildert en daar vervolgens onder schrijft dat het toch geen pijp is.
‘Graag zou ik de rol van kunstenaar door iemand anders laten spelen’, voegt Henderickx er even graag aan toe.
Welke aanwijzingen voor deze openstaande rol kunnen we halen uit zijn werk? Welk levensverhaal kunnen we verzinnen voor die fictieve ander die wel een kunstenaar is? Uit welke personages bestaat hij?
De archivaris
Het eerste wat in het oog springt wanneer we de schilderijen na elkaar bekijken, is de aanwezigheid van mysterieuze lettertjes, meestal in de rechter benedenhoek als een soort signatuur, maar soms ook centraal op het doek zoals bij V. the big V (2006) waar een silhouet van een man naar een hoofdletter ‘V’ op de horizonlijn kijkt.
De werken lijken deel uit te maken van een reeks die alfabetisch geordend is. Of misschien is het zo dat de kunstenaar in zijn werk bepaalde aspecten van zijn leven tracht te archiveren. Komen terug: Afrika, het menselijke lichaam, machines, deprimerende grijze uitzichten en gezichten met vreemde, grote ogen.
Laten we dus de fictieve kunstenaar P. geboren worden in het Afrikaanse land Burkina Faso en meer bepaald in de stad met de prachtige naam Bobo Dioulasso. Hij brengt zijn kinderjaren door in Burkina Faso, Ethiopië en Togo. Zijn vader is arts en de jongen kijkt met grote ogen naar de plaatjes in de medische boeken van vader J. Het reizen en het observeren zullen als rode draad doorheen zijn verdere leven blijven lopen.
We laten hier de kunstenaar de uitspraak doen: ‘Als er één geur, één plaats is die me herinnert aan ‘thuis’, dan is dit Afrika’.
De reiziger
Na zijn Afrikaanse kindertijd verhuist P. met zijn familie naar België. De herinnering aan de Afrikaanse kleuren en landschappen doen hem dit land als grijs en eentonig ervaren. Op zijn twaalfde besluit P. kunstenaar te worden en volgt kunsthumaniora in Brussel en academie in Gent. Onder het pseudoniem ‘Morph’ – ‘hij die een vorm zoekt’ - maakt hij tekeningen, installaties en performances.
Rond zijn twintigste reist hij zijn geliefde C. achterna naar haar thuisland Brazilië waar hij in enkele maanden tijd een pas verkregen erfenis opmaakt. Terug in België wordt hij gekweld door de herinnering aan zijn onmogelijke verre liefde en even later vertrekt hij naar India. Tussen zijn twintigste en zijn dertigste werkt hij in Azië als gids, reisorganisator, hotelmanager, uitbater van een guesthouse en productieleider van populaire televisieprogramma’s. Hoewel hij beweert geen kunstenaar meer te zijn, blijft hij in die periode voortdurend foto’s maken.
We laten de kunstenaar hier de uitspraak doen: ‘Hoe zou ik nog kunstenaar kunnen zijn als India en Nepal vol staan met installaties en het leven hier een aaneenschakeling van performances is?’
De Belg
Rond zijn dertigste keert P. terug naar België. De continenten zijn in kaart gebracht maar de horizon bleek onbereikbaar. Hij begint opnieuw te schilderen. P. inventariseert en bewerkt in hoog tempo impressies uit de voorbije dertig jaar. De doeken vertrekken vaak van een foto die hij soms eerst bewerkt op computer, vervolgens print en overschildert. Andere werken zijn meer grafisch van opzet maar zitten vol symbolen.
Uiteraard komen de vroege herinneringen aan Afrika terug in F. Impression d’afrique (2007) en I.Dipenda (2007). Het eerste doek is gebaseerd op een gevonden oude foto van de slavenmarkt waarop een rij zwarte vrouwen als vee klaarstaan om bekeken, betast en verkocht te worden. Het tweede werk toont een lachende Afrikaan in maatpak, het koloniale cliché van de immer vrolijke én gedienstige zwarte.
Daartegenover staan de Belgische indrukken M. sanseveria (2006) en G. zondag 11.00 am (2007). M. toont een vreemd blauwachtig fragment van de plant die menige Belgische vensterbank siert en G. geeft een witgrijs dak weer met daarop vijf gelijke schoorstenen met monotone slagschaduw.
Welke plaats het meest exotisch is, wordt niet duidelijk. Waar de kunstenaar thuis is, blijft een raadsel. ‘Ik voel mij Afrikaan, Belg noch Indiër’ zou hij kunnen zeggen of ‘Het zoeken naar een thuis is een rode draad in mijn werk’.
Maar toch is hij een echte Belg. De identiteit van dit kleine land is immers net het gebrek eraan. België is een gehucht tussen Noord- en Zuid-Europa, het kunstmatige land bij uitstek, de hoofdstad van Brussel.
De schilderijen A. nothingness (2006), T. l’Arbre automatique (2006) en V. the big V (2006) hebben iets van een Magritte on Photoshop. Ze zijn gestileerd, surrealistisch en mysterieus. Het lijkt alsof de man met de bolhoed op V. aarzelt of hij de uitgezette stippellijnen naar de horizon zal volgen of zich omdraaien en terug keren. De onbereikbare ‘V’ krijgt iets dreigends, de skyline is de ultieme verte die zich steeds verplaatst, net als het verlangen. Mocht men dit punt effectief bereiken, zou de wereld zijn perspectief en betekenis verliezen.
We halen hier de volgende uitspraak van P. aan: ‘Wanneer je ergens naartoe vertrekt, denk je iets anders aan te treffen. Maar vlak voor het vliegtuig gaat landen, lijkt alles hetzelfde. Je komt steeds opnieuw jezelf tegen.’
De ziener
Wie de hele wereld rond reisde en bekeek, heeft niet noodzakelijk veel gezien. Wie op zoek is naar iets anders, moet op een nieuwe manier naar de wereld kijken. Het zou een intentieverklaring kunnen zijn van kunstenaar P. Niet alleen getuigen zijn foto’s en schilderijen van een scherpe en eigenzinnige blik op de zaken, ook vormen de ogen en het kijken een belangrijk thema in zijn werk.
Het meest treffend is het doek T2. Pheme (2007): een fragment uit een massa mensen die naar hetzelfde punt buiten beeld kijken. Waar ze naar kijken blijft een mysterie, we zien enkel dat ze kijken en dat ze vreemde brillen dragen met grote ogen op de glazen geschilderd.
O. Talk (2007) toont een priester met dezelfde onnatuurlijke, grote ogen en uitgevlakte mond. Deze pastoor met dichtgegroeide mond kan het woord niet langer verspreiden. Hij is veroordeeld tot luisteren en vooral kijken. ‘Misschien dat hij de dingen nu op een meer spirituele manier gaat zien’, zou P. eraan kunnen toevoegen. Het verklaart ook de fascinatie van de kunstenaar voor bomen en andere stille wezens als vissen: ‘Bomen zonder bladeren hebben iets menselijks, ze ademen en bewegen maar ze spreken niet. Een boom maakt eeuwigheden mee maar vertelt er niet over. Of misschien verstaan we ze gewoon niet.’ Op T. L’Arbre automatique (2006) staat dan ook een kale, door tandwielen aangedreven boom, die de letter ‘A’ voort brengt.
Een sleutelwerk waarin verschillende lijnen samen komen is Q. Joseph Henderickx (2007). Ook hier die bolle vissenogen die het portret zo bevreemdend maken. Het is gebaseerd op een foto van zijn vader toen die ongeveer tien jaar oud was. De vader die met zijn wetenschappelijke doktersblik Afrikaanse vrouwen onderzocht op ziektes, de reizende dokter van wie de laboratoriumboekjes nog steeds als inspiratiebron voor P. dienen. De kleine jongen die enigszins onwennig bij een openliggend boek poseert, reikt nog niet tot aan de helft van dit grote doek. Achter hem doemt een grote donkere schaduw op die qua vorm niet overeenstemt met de houding van het jongetje. Vraag is of dit geen verdoken zelfportret is met op de achtergrond het silhouet van vader J. als mythische voorganger en vertrekpunt.
De speler
Een belangrijke aanwijzing voor wie de rol van kunstenaar P. wil invullen is het dubbelzinnige en het speelse van de figuur.
Wanneer we hem zouden vragen of Magritte een inspiratiebron is, zal hij dit ontkennen maar later in het gesprek ongevraagd vertellen dat hij er - net als Magritte - van houdt om te schilderen in driedelig pak in zijn woonkamer in plaats van in besmeurde schildersoverall in een wanordelijk atelier.
Wanneer we hem zouden vragen of de man op J. L’M Modernist (2007)cocaïne aan het snuiven is zal hij antwoorden dat dit helemaal niet zeker is, dat het misschien een man is die last heeft om te ademen en daarom een rietje moet gebruiken. Of dat het misschien gewoon iemand is die graag de letter ‘M’ snuift en elke nacht naar buiten komt om M te snuiven.
In dezelfde adem zou hij eraan toevoegen dat hij het misschien zelf niet weet, dat wanneer hij het zou kunnen uitleggen of opschrijven, hij het dan niet meer zou moeten schilderen. Of dat hij enkel een aantal hints geeft en dat de toeschouwers zijn werk moeten ‘adopteren’ en er een eigen verhaal aan verbinden.
Voor Y. equilibre (2006) schildert hij dan ook een grote strandbal op een grijze achtergrond. De strakke verdeling van deze speelbal in kleurvlakken verwijst naar de kleurboeken met tekeningen waarvan de contouren uitgezet zijn en het enkel nog wachten is op kinderen om de juiste kleuren in te vullen. ‘Dit werk draait rond het spelen met interpretaties’, zou hij eraan toevoegen.
En om hem een laatste keer te citeren: ‘Schilderen is een performance die je voor jezelf doet’.
Het werk van Philip Henderickx doet ons vermoeden dat hij zelf kandidaat is om de rol van kunstenaar P. te spelen. Meer zelfs, we verdenken hem ervan zelf een kunstenaar te zijn.
Frederik De Preester
Gent, zomer 2007
Analfa Belge
Tekeningen en schilderijen van Philip Henderickx
Galerie De Buck, 10 april – 2 mei 2009
Philip Henderickx (Bobo Dioulasso, Burkina Faso, 1976) is een Belgisch schilder en beeldend kunstenaar. Hij woont en werkt in Gent en de rest van de wereld.
Het eerste wat in het oog springt wanneer we de tekeningen en schilderijen van Henderickx na elkaar bekijken, is de aanwezigheid van mysterieuze lettertjes, meestal in de rechter benedenhoek als een soort signatuur, maar soms ook centraal op het doek.
De werken lijken deel uit te maken van een reeks die alfabetisch geordend is. De kunstenaar archiveert in zijn werk bepaalde aspecten van zijn leven. Komen terug: Afrika, het menselijk lichaam, machines, deprimerende grijze uitzichten en gezichten met vreemde, grote ogen. Zijn vader Joseph is arts zonder grenzen en Henderickx brengt zijn kinderjaren door in Burkina Faso, Ethiopië en Togo. Het reizen en de haast klinische observatie zullen ook in zijn verdere leven de rode draad vormen.
Na zijn Afrikaanse kindertijd verhuist Henderickx met zijn familie naar België. De herinnering aan de Afrikaanse kleuren en landschappen doen hem dit land als grijs en eentonig ervaren. Op zijn twaalfde besluit hij kunstenaar te worden en volgt kunsthumaniora in Brussel en academie in Gent. Onder het pseudoniem ‘Morph’ maakt hij tekeningen, installaties en performances.
Tussen zijn twintigste en zijn dertigste werkt hij in Azië als gids, reisorganisator, hotelmanager, uitbater van een guesthouse en productieleider van populaire televisieprogramma’s. Hoewel hij beweert geen kunstenaar meer te zijn, blijft hij in die periode voortdurend foto’s maken.
Rond zijn dertigste keert Philip Henderickx terug naar België waar hij opnieuw begint te schilderen. Hij inventariseert en bewerkt impressies uit de voorbije dertig jaar. De doeken vertrekken vaak van een foto die hij eerst bewerkt op computer, vervolgens print en overschildert. Andere werken zijn grafischer, maar zitten vol symbolen. Uiteraard komen de vroege herinneringen aan Afrika terug maar daartegenover staan de Belgische indrukken. Welke plaats het meest exotisch is, wordt niet duidelijk. Waar de kunstenaar thuis is, blijft een raadsel.
In Analfa Belge toont Philip Henderickx zich als archivaris van zichzelf, wereldreiziger én Belgisch kunstenaar. Zijn recente portretten zijn archaïsch, bijna archetypisch en geven het gevoel deel uit te maken van ons collectief geheugen. De ingrepen van de schilder op ogen, mond, neus en oren verstoren echter het vertrouwde van deze beelden. Henderickx gaat met zijn penseel te werk als een plastisch chirurg met een absurd gevoel voor humor. Zijn doeken zijn unheimliche stills uit de nooit gedraaide film van een 21ste eeuwse Buñuel.
DE KOE EN HET HERT
Is artificiële intelligentie de (ware) toekomst? Kan artificiële intelligentie het IQ meten? Maar welk IQ? Dit voor het bedrijf? Voor oorlogsvoering (waar de allereerste IQ-testen voor dienden)? Of is het een spielerei? Deze vragen schuilen wel degelijk in het (kunst)project van Philip Henderickx. Kunst stelt tenslotte vragen. Over de samenleving. Over de rol van techniek in deze samenleving. Alsook in het leven van het individu. Vandaar dat dit nieuw project van Philip Henderickx zowel het pratende hert als de rondrijdende (rondwandelende) koe behelzen.
De rol van het esthetische en het louter functionele worden hier met elkaar geconfronteerd. De koe is uiteindelijk een robot (in de huid van een koe) die zich door de ruimte verplaatst. De vraag die zich meteen stelt is: voel ik me eenzaam? Heb ik nood aan een rondkuierende koe in mijn leefwereld om mijn leven zin te geven? Om mijn eenzaamheid op te fleuren? In de galerie betreedt de bezoeker uiteraard de leefwereld van de koe. De koe confronteert de bezoeker met diens leefwereld. Maar nooit agressief of confronterend. De kunstenaar zoekt uiteindelijk wel naar een confrontatie. Naar een vraagstelling. Is artificiële intelligentie, is een robot, dé oplossing voor eenzaamheid. In hoever kan een machine uiteindelijk aan de menselijke behoeften voldoen. Beschikt deze machine over emoties? Kan die machine –in de vorm van een koe- emoties genereren? Dit zijn uiteraard niet de vragen die de wetenschap zich stelt. En dit behoort ook niet tot hun domein. Maar wel tot het domein van de kunstenaar of de filosoof. De koe geeft melk. Geeft ze tevens aanleiding tot meevoelen? Tot meeleven?
Ook het hert gaat een rechtstreekse confrontatie met de bezoeker aan. Het hert spreekt U namelijk aan. Niet omgekeerd. De opgezette hertenkop (u kent ze wel; die trofeeën in het interieur van de zogenaamde jager) praat en is zelfs bereid om een conversatie met u aan te gaan. Uiteraard is de hertenkop in zijn huidig stadium –die we gemakshalve het alfa stadium noemen- beperkt in kennis en kan bijgevolg nog geen echt geanimeerd gesprek voeren over bijvoorbeeld: literaire stromingen, de stand van zaken in de kankerbestrijding of beursvoorspellingen doen. Maar dit is evenwel geen toekomstmuziek. De uitwerking van deze alfa versie straalt (nog) meer persoonlijkheid uit en kan wel degelijk op vele vragen antwoorden. Met andere woorden: de interactie is zo goed als volmaakt. En zeg nu zelf: wat is aantrekkelijker? Tegen een computerscherm praten. Of een onderhoud hebben met een (geanimeerde) hertenkop? Maar ook hier stelt zich de vraag: vervangt de pratende en geanimeerde hertenkop the real thing, namelijk: de mens?
Voorgesteld in een galerie hebben de hert en de koe surrealistische kwaliteiten. Maar zoals de surrealisten het bijna een eeuw geleden deden, drukt ook Philip Henderickx een vinger op de realiteit, op een (prangende) vraag binnen de huidige samenleving om eenzaamheid en de onweerstaanbare drang naar (menselijk) contact in te vullen via artificiële intelligentie. Kan de computer of de robot het menselijk leven –of leed als je wilt- invullen? Of hoe realiteit, fictie en metarealiteit bijzonder nauw bij elkaar aanleunen. Meer zelfs: wat ooit als irreëel, surrealistisch of science fiction klonk, is nu wel degelijk werkelijkheid.
We kijken dan ook reikhalzend uit naar dit intrigerend project. In november van dit jaar in Galerie S&H De Buck, Gent. Eind 2012 in het S.M.A.K. en Vooruit Gent.
Piet Goethals
Recensent Knack-Focus